Er zijn allerlei momenten in ons leven denkbaar, waarbij de moeilijkheden ons boven het hoofd groeien. Onze man of vrouw overlijdt… of ons kind… we krijgen te maken met ziekte, we worstelen met ons zelfbeeld, we hebben te kampen met psychische moeilijkheden, huwelijksproblemen, echtscheiding, verstoorde verhoudingen in de familiekring… en nog veel meer.
Dat zijn fasen in ons leven waarin we ons heel eenzaam kunnen voelen. Niet begrepen door anderen. Niet of maar voor een deel gesteund door anderen. Verward door de vragen die op ons afkomen. Wanhopig soms. Vertwijfeld zoeken we houvast, maar vinden het nergens. Ook niet bij God. Juist in de crises van het leven gaan de vragen dringen: waarom is God zover weg? Of: waar is God? Of nog vertwijfelder: is er wel een God?
Van de vragen die bovenkomen wil ik allereerst zeggen: we behoeven daar niet van te schrikken. Het is toch heel begrijpelijk dat je in alle genoemde situaties houvast zoekt? Je geeft eigenlijk te kennen: ik red het niet alleen. Ik heb hulp nodig om er doorheen te komen.
Zoek je dit houvast bij mensen dan kan het soms best tegenvallen. Mensen om je heen bedoelen het goed, maar ze voelen niet aan wat je doormaakt. Ze kennen je maar voor een deel en weten niet waar je echt behoefte aan hebt.
Maar zoek je hulp bij God, dan kunnen soortgelijke gevoelens van teleurstelling over je komen. Het lijkt er soms op, dat God niet van je nood afweet. Er komt geen reactie. Je merkt er tenminste niks van. Dan kun je wel eens heel boos worden. Zelfs kan de wanhoop vat op je krijgen. Wat is het dan donker om je heen en in jezelf.
Herkenbaar? Ik realiseer me dat we in zo’n situatie niet goedkoop met een Bijbeltekst of met troostende woorden moeten proberen de nood weg te poetsen. Dan nemen we het niet serieus. Toch kan de Bijbel ons wel te hulp komen, omdat daar mensen aan het woord zijn met soortgelijke worstelingen. Ik denk aan Psalm 42. Daar is een man aan het woord met een intens verlangen naar God. Hij hunkert er naar om dichtbij God te zijn. Maar ondertussen is Gods aanwezigheid en Gods hulp nergens te bespeuren. Lees het maar eens na in die Psalm. De mensen om hem heen verwijten het hem: waar is uw God? En daar heeft de dichter geen pasklaar antwoord voor. Nee, dat maakt zijn worsteling alleen nog maar eenzamer.
Misschien herken je wel iets van jezelf in de woorden van deze Psalm. Dan hoop ik, dat je ook mee kunt gaan in de richting die deze dichter gaat. Hij blijft niet steken in de worsteling, al steekt die wel meermalen de kop op. Hij spreekt echter wel zichzelf aan. Die woorden wil ik onderstrepen:
‘wat buigt gij u neer, o mijn ziel, en zijt onrustig in mij?
Hoop op God, want ik zal Hem nog loven voor de verlossingen van Zijn aangezicht.’
Nee, beslist geen goedkope oplossing. Geen struisvogelpolitiek (de kop in het zand steken en doen alsof er niks aan de hand is). Maar… hij roept iets in zichzelf wakker, wat hem boven alle levensnood kan uittillen. Hoop op God! Ja, maar die God was toch juist zo afwezig…???
Zeker… in de levensomstandigheden van dat moment lijkt Hij afwezig. Maar zodra deze dichter zijn hoop stelt op die God, (waarvan hij weet dat die in het verleden vaker verlossend aanwezig was), is God ook niet langer de Afwezige. De blikrichting wordt verplaatst. Niet langer op de nood, hoe zwaar die ook is, maar op Hem, die bij machte is de nood te dragen.
Is dat geen hopen tegen beter weten in dan? Nee, want wat is hopen anders dan: zich richten op de dingen die niet gezien worden (Rom. 8:24). Tegen alles in, boven alles uit, Hem vastklampen, die belooft heeft dat Hij verlossen zal.
Nog een keer terug naar de vraag. Waarom is God dan zo afwezig, juist als Zijn aanwezigheid het meest gewenst is? De Heere verbergt wel eens Zijn aangezicht, maar nooit om Zich van ons af te keren. Altijd om ons er toe te bewegen in de nood van het gemis Hem te zoeken. Ik denk aan een andere psalm, waarmee ik dit thema voor deze keer afsluit:
1 Een onderwijzing, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.
2 Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt mijn ziel tot U, o God!
3 Mijn ziel dorst naar God, naar den levenden God; wanneer zal ik ingaan, en voor Gods aangezicht verschijnen?
4 Mijn tranen zijn mij tot spijs dag en nacht; omdat zij den gansen dag tot mij zeggen: Waar is uw God?
5 Ik gedenk daaraan, en stort mijn ziel uit in mij, omdat ik placht heen te gaan onder de schare, en met hen te treden naar Gods huis, met een stem van vreugdegezang en lof, onder de feesthoudende menigte.
6 Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en zijt onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven voor de verlossingen Zijns aangezichts.
7 O mijn God! mijn ziel buigt zich neder in mij, daarom gedenk ik Uwer uit het land van de Jordaan, en Hermon, uit het klein gebergte.
8 De afgrond roept tot den afgrond, bij het gedruis Uwer watergoten; al Uw baren en Uw golven zijn over mij heengegaan.
9 Maar de HEERE zal des daags Zijn goedertierenheid gebieden, en des nachts zal Zijn lied bij mij zijn; het gebed tot den God mijns levens.
10 Ik zal zeggen tot God: Mijn Steenrots! waarom vergeet Gij mij? Waarom ga ik in het zwart, vanwege des vijands onderdrukking?
11 Met een doodsteek in mijn beenderen honen mij mijn wederpartijders, als zij den gansen dag tot mij zeggen: Waar is uw God?
12 Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en wat zijt gij onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven; Hij is de menigvuldige Verlossing mijns aangezichts, en mijn God.